Nieuwsbrief Mei

Contouren 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn
De Nitraatrichtlijn vereist dat lidstaten elke vier jaar een actieprogramma opstellen, waarin de maatregelen staan die nodig zijn om te voldoen aan het doel van die richtlijn. Het 8e actieprogramma moet vanaf 1 januari 2026 van toepassing zijn. Doel is om waterverontreiniging van grond- en oppervlaktewater door nutriënten uit de landbouw te voorkomen en te verminderen, te voldoen aan de
nitraatnorm van 50 mg/l in het bovenste grondwater en eutrofiëring van het oppervlaktewater tegen te gaan. Daarmee wordt bijgedragen aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW).

Uit onderzoek blijkt dat er voor grondwater in het gebied zand-zuid en löss nog een opgave resteert om de nitraatnorm van 50 mg/l in het grondwater te behalen. Voor oppervlaktewater zijn er kleinere
gebieden verspreid over heel Nederland die nog niet aan deze norm voldoen. In deze gebieden is er daarom volgens de minister van LVVN nog aanvullend beleid nodig. De minister is voornemens om de lijn van het 7e actieprogramma en derogatiebeschikking grotendeels voort te zetten en aan te vullen met
meer maatregelen.


Doelsturing voor waterkwaliteit (grondwater)
In het 8e actieprogramma wordt ingezet op een afrekenbaar doelsturingssysteem. Dit betreft een alternatief systeem waaraan agrariërs kunnen deelnemen, gebaseerd op de N-indicatoren als N mineraalmetingen en het stikstofbodemoverschot. Doel is om uiteindelijk generieke maatregelen zo veel mogelijk te kunnen vervangen. Dit zal niet eerder dan vanaf 2029 mogelijk zijn.

Bufferstroken Het aanhouden van mestvrije zones zal worden voortgezet. In
gebieden op klei en veen waar zowel het grondwater als het oppervlaktewater op orde is, is het voornemen de mestvrije bufferstrook te verkleinen tot maximaal één meter.

Rotatie rustgewassen
De maatregel van een 1:4 rotatie met rustgewassen wordt in de gebieden zand-noord en zand-midden voortgezet. De minister wil in de gebieden zand-zuid en löss de 1:4 rotatie vervangen door een 1:3 rotatie (mogelijk alternatief 2:6 rotatie).

Telen vanggewassen
De stimulering van de teelt van een vanggewas in de gebieden zand-noord, zand-midden, zand-zuid en löss wordt gehandhaafd. In klei- en veengebieden zal het na de oogst van maïs verplicht worden gras of een ander gewas te telen dat in de winter de bodem bedekt.

Actualisatie stikstofgebruiksnorm
De minister laat onderzoeken welk effect een (verdere) verlaging van de stikstofgebruiksnorm op verschillende niveaus (3%-5%-8%-10%-15% en 20%) heeft op de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit. Dit kan een aanpassing van de stikstofgebruiksnorm tot gevolg hebben.

Behoud grasland
Grasland heeft ten opzichte van bouwland een positief effect op de waterkwaliteit. De minister wil daarom maatregelen nemen die leiden tot behoud van grasland, maar weet nog niet welke. Ze denkt aan een nieuwe derogatie of een graslandnorm. Ook een doelsturingssysteem voor grondwaterkwaliteit kan hieraan bijdragen.

Fosfaat in oppervlaktewater
Voor gebieden waar fosfaat in het oppervlaktewater nog aandacht behoeft, wil de minister de fosfaatgebruiksnorm aanpassen. Eveneens ziet zij de aanleg van infiltratiegreppels als een perspectiefvolle manier om in die gebieden afspoeling van fosfaat naar het oppervlaktewater te voorkomen.

Voortgang
Het voorstel van de minister zal op korte termijn beoordeeld worden door de Universiteit van Wageningen, waarna een Milieueffectrapportage wordt gemaakt. Daarna volgt nog een internetconsultatie.

Verplicht bioveiligheidsplan voor pluimveebedrijven
Een goede bioveiligheid is van belang om zo veel mogelijk te voorkomen dat ziekteverwekkers, die dierziekten en zoönosen kunnen veroorzaken, bij bedrijven met gehouden dieren kunnen binnendringen. Hierdoor kunnen dieren en mensen ziek worden en moet er mogelijk antimicrobiële middelen moeten
worden ingezet. De bioveiligheid vormt ook een barrière voor het ontsnappen van voor de
buitenwereld ongewenste ziekteverwekkers vanuit het bedrijf. Het is belangrijk hier kritisch op te
zijn en dit te blijven optimaliseren. Via een bioveiligheidsplan (BVP) kan dit bestendigd worden.

Op grond van de EU-Diergezondheidsverordening is een veehouder verplicht adequate maatregelen te
nemen om insleep van ziekteverwekkers te voorkomen door middel van een adequate bioveiligheid. Deze
regeling is een nationale invulling van een bestaande Europese verplichting. Met deze regeling
worden commerciële pluimveehouders verplicht tot het in kaart brengen van maatregelen om te voldoen
aan het bioveiligheidsplan. Het voornemen is om in de toekomst het plan uit te breiden naar andere
sectoren binnen de veehouderij.

Bioveiligheidsplan is onderdeel van bedrijfsgezondheidsplan
Het BVP wordt een onderdeel van het bedrijfsgezondheidsplan (BGP). De verplichting om een BGP op te
stellen gaat gelden voor alle commerciële pluimveehouderijen met hoenderachtigen, eenden of ganzen.
Pluimveehouders die eerder niet verplicht waren om een BGP op te stellen zijn dat nu wel, met het
BVP als enig onderdeel.

Opstellen, inhoud en evaluatie
Het BVP moet voor 1 januari 2026 samen met de dierenarts opgesteld worden en jaarlijks worden
geëvalueerd. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de hygiënescan. Het BVP moet ingaan op de getroffen en te nemen bioveiligheidsmaatregelen met betrekking tot:
• Hygiënezones;
• Plaagdieren en wilde vogels;
• Bezoekers en personeel;
• Voertuigen en materialen;
• Aan- en afvoer van dieren, mest en kadavers;
• Reiniging en desinfectie van het bedrijfsterrein, stallen en inventaris;
• In het geval dat de houder eieren produceert: gebruikt materiaal, ruimtes, reiniging en
desinfectie;
• Uitloop van pluimvee;
• Andere risico’s voor de bioveiligheid en zoönosen met betrekking
tot het bedrijf of de bedrijfsvoering.

Rechtbank ontbindt pachtovereenkomst wegens
niet-bedrijfsmatige landbouw

Een pachter exploiteerde een akkerbouwbedrijf met in totaal 19 hectare. Daarvan pachtte hij 16
hectare middels een pachtovereenkomst van de gemeente. Voor de pachtkamer vorderde de gemeente
ontbinding van de pachtovereenkomst. Hoofdreden hiervoor was dat er volgens de gemeente geen sprake
meer was van bedrijfsmatige landbouw.

Volgens vaste rechtspraak veronderstelt een bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte dat sprake
is van een complex van economische activiteiten, gericht op winst door uitoefening van de landbouw.
Voor de vraag of dat aan de orde is, zijn de volgende gezichtspunten in het bijzonder van belang:
• De omvang van het bedrijf en de onderlinge samenhang tussen de bedrijfsactiviteiten;
• De vraag of de voor toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaatsvinden;
• Het redelijkerwijs te verwachten ondernemingsrendement;
• De vraag of de gebruiker een hoofdfunctie buiten de landbouw heeft;

Eén en ander in onderlinge samenhang te beschouwen en met inachtneming van de overige
omstandigheden van het geval.

De pachtkamer oordeelde dat het gepachte niet (meer) werd gebruikt voor de uitoefening van
bedrijfsmatige landbouw. Dat bleek onder meer uit de (te late) aanpak van de knolcyperusbesmetting
(de teelt van beter renderende rooigewassen was daardoor niet mogelijk), de (te) beperkte omvang
van het bedrijf en dat de pachter gedurende 20 uur per week elders werkzaam was. Een andere of
nevenfunctie naast de agrarische onderneming leidt op zichzelf niet automatisch tot de conclusie
dat er geen sprake is van bedrijfsmatige landbouw, maar het kan wel (samen met andere
omstandigheden) daarvoor een indicatie vormen.

Daarnaast was niet gesteld of gebleken, laat staan met concrete gegevens onderbouwd, dat de pachter
in de nabije toekomst plannen had om het akkerbouwbedrijf een impuls te geven, door bijvoorbeeld
andere gronden aan te wenden en/of investeringen te doen. Dat hij beperkt was geweest door de
knolcyperusbesmetting, maakte volgens de pachtkamer nog niet dat de pachter helemaal geen visie had
over de toekomst in deze procedure was onvoldoende gebleken wat die visie dan zou zijn.

Pachter voerde nog aan dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigde, omdat de gemeente de
vermeende tekortkomingen jarenlang had aanvaard. Door de ontbinding van de pachtovereenkomst werd
de pachter de mogelijkheid ontnomen om in de nabije toekomst een rendabele exploitatie te
realiseren. De pachtkamer zag dat anders. De pachter is namelijk te allen tijde verplicht zich ten
aanzien van het gebruik van het gepachte zich als een goed pachter te gedragen. Dit volgde ook uit
de pachtovereenkomst waarin stond dat de pachter moest zorgen voor een deugdelijke bestrijding van
het onkruid. De gemeente had hem daarop dan ook niet nog eens apart hoeven te wijzen.

De pachtkamer stelde de datum van ontbinding vast op 1 oktober 2025. Dit achtte zij een redelijke
termijn, onder meer omdat de pachter dan in 2025 nog een hoofdgewas kon telen op de percelen en er
daarna nog voldoende tijd was om eventueel een vanggewas te
zaaien. Een langere termijn achtte de pachtkamer gelet op de
tekortkoming niet redelijk.

Bedrijfsopvolgingsregeling en tijdelijk verpachte gronden
De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) voorziet in een voorwaardelijke vrijstelling van de schenk- en erfbelasting voor het ondernemingsvermogen bij bedrijfsopvolgingen. Aan anderen ter beschikking gestelde onroerende zaken komen met ingang van 1 januari 2024 niet langer voor de BOR in aanmerking. Hetzelfde geldt voor de doorschuiffaciliteit voor het aanmerkelijk belang in de inkomstenbelasting. Daarvan zijn uitgezonderd de pachtovereenkomsten betreffende los land, die zijn aangegaan voor
teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is. (art. 396,1e t/m 3e lid, BW 7). De agrarische ondernemer kan enkel op deze manier het land voor die vruchtwisseling verpachten en voor dit land, ondanks de
terbeschikkingstelling ervan aan een derde, toch de BOR op dit land toepassen.


Teeltpachtovereenkomst
Teeltpachtovereenkomsten worden aangegaan voor één- of tweejarige teelten voor de duur van ten hoogste één onderscheidenlijk twee jaar en moeten ter registratie naar de grondkamer worden gestuurd. Deze beoordeelt of er sprake is van een teelt waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is. Er bestaat geen volledige lijst van teelten waarvoor dit geldt. Het is niet het geval voor gerst, gras(zaad), haver, maïs, rogge, tarwe en spelt.


Praktijk: wel verpachting, geen noodzakelijke vruchtwisseling
In de praktijk worden regelmatig percelen van melkveehouders via niet geregistreerde teeltpacht in gebruik gegeven (niet geruild via wederzijdse pacht) aan telers van bloembollen en pootaardappelen. Deze vaak niet-geregistreerde pacht is niet ingegeven door vruchtwisseling voor een goede landbouw-bedrijfspraktijk maar als uitbreiding van de teeltmogelijkheden voor de bollen- of pootgoedteler,
waarvoor de melkveehouder een financieel gunstige pachtprijs ontvangt. Dit is hoofdzakelijk een financieel gedreven praktijk. De vorige minister van Landbouw heeft destijds aangegeven dat voor een
duurzame goede landbouwpraktijk in elk geval het hierbij regelmatig voorkomende scheuren van grasland ongewenst is en daarom niet gefaciliteerd moet worden via de BOR. Zowel vanuit klimaatbeleid, duurzaam bodembeheer als waterkwaliteit is het niet gunstig (blijvend) grasland van een veehouderijbedrijf te scheuren.

Op korte termijn geen aanpassingen
Gezien de lopende herziening van de Pachtwet was de minister destijds ook niet bereid op korte termijn wijzigingen in de pachtregelgeving door te voeren om de BOR voor beide partijen van toepassing te laten zijn, voor teeltpachtovereenkomsten waarbij voor de ene partij wel sprake is van een teelt waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is en bij de andere partij niet.

Onderzaai maïs kan niet als rustgewas meetellen
Op zand- en lössgrond moet één keer in de vier jaar een rustgewas geteeld worden. De onderzaai van
een vanggewas bij maïs wordt niet (langer) geaccepteerd als invulling van deze verplichting. Dit is
onlangs bevestigd door RVO.

In principe moet het rustgewas als hoofdteelt geteeld worden. Er zijn tabellen waarin staat welke
gewassen tot de rustgewassen behoren. Gewassen die (vroeg) gerooid moeten worden, tellen sowieso
niet mee als rustgewas.

Onbemest vanggewas
In één situatie is het rustgewas niet de hoofdteelt. Er kan namelijk gekozen worden voor een korte
(groente)teelt of vroeg geoogst gewas, gevolgd door een onbemest vanggewas dat vóór 1 september
wordt ingezaaid. De hoofdteelt mag elk gewas zijn. Het vanggewas mag pas na de oogst van de
hoofdteelt ingezaaid worden.

Wijziging wetgeving per 1 januari 2024
Dit stond reeds vanaf 1 januari 2024 in de Omgevingsregeling, die per die datum is ingevoerd.
Daarvoor stonden de bepalingen over de rustgewassen in de Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen,
maar zonder de bepaling dat het vanggewas na de hoofdteelt ingezaaid moest worden. Ondanks dat deze
overgang beleidsneutraal zou zijn, heeft RVO nu pas officieel bevestigd dat deze voorwaarde is
aangepast.

Opmerking
Er zijn gevallen bekend waarbij de onderzaai van een vanggewas in 2024 door RVO wel als rustgewas
is erkend, terwijl dit volgens de regels niet was toegestaan. In 2025 zal echter rekening moeten
worden gehouden met de nieuwe uitleg.

Maatregelen opstarten verlening natuurvergunningen
De recente uitspraak van de Raad van State over intern salderen heeft de ruimte voor
vergunningverlening verder beperkt. Dit heeft grote consequenties. Het leidt tot vertragingen,
beperkingen en grote onzekerheid, vooral voor ondernemers zonder geldige
natuurbeschermingsvergunning, zoals PAS-melders en ondernemers die intern gesaldeerd hebben. Dit
was voor de uitspraak legaal. Het kabinet wil met een pakket aan maatregelen Nederland weer in
beweging krijgen. Hiervoor wordt eenmalig € 1,6 miljard vrijgemaakt, plus € 213 miljoen
structureel, naast de € 600 miljoen die in de Voorjaarsnota is vrijgemaakt.

Aanpassing vergunningenstelsel en wetgeving
Na de zomer zal een nieuw vergunningenstelsel gepresenteerd worden, dat gebaseerd is op een beter
inzicht in de staat van de natuur en alle bijbehorende drukfactoren. Dit moet ook een oplossing
bieden voor PAS-melders en bedrijven die gebruik hebben gemaakt van intern salderen.

Overige zaken
• Er wordt gewerkt aan een rekenkundige ondergrens van 1 mol.
Projecten die volledig onder deze grens vallen worden uitgesloten van een natuurvergunningplicht;
• Er volgt rond de zomer een voorstel om de kritische depositiewaarde uit de wet te halen en te
vervangen door emissiedoelen;
• Het gebruik van het rekenmodel AERIUS blijft voorlopig verplicht, maar er wordt gekeken naar een
alternatief.

Maatregelen structurele daling stikstofemissies
Het kabinet wil in 2035 een emissiereductie van 50% (industrie, mobiliteit en bouw) en 42-46%
(landbouw) ten opzichte van 2019 realiseren. Voor de landbouw zet zij in op doelsturing, natuurlijk
verloop en extra inzet van middelen rond bepaalde Natura
2000-gebieden, zoals met het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. In 2020 was bepaald dat deze
emissiereductie in 2030 behaald moest worden.

Doelsturing
Doelsturing geeft boeren ruimte om via eigen keuzes stikstofreductie te realiseren. Dit gebeurt via
afrekenbare, bedrijfsspecifieke normen voor 2035, die technisch en economisch haalbaar zijn. Boeren
kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten, zoals management- of stalmaatregelen. Het
kabinet overweegt ondersteunende maatregelen te nemen, onder andere gericht op innovatie. Daarbij
is de voorwaarde dat er een juridisch en technisch houdbare doelsturingssystematiek is, waardoor
ondernemers kunnen aantonen dat ze aan de norm kunnen voldoen.

Extensiveringsregeling
Het kabinet is samen met de sector bezig met het opzetten van een tijdelijke, vrijwillige
extensiveringsregeling voor de melkveehouderij, waarbij de permanente emissiereductie zal worden
geborgd. Het plan wordt spoedig verwacht en hiervoor is € 627 miljoen beschikbaar.

Beëindigingsregeling
Het kabinet maakt een vrijwillige beëindigingsregeling mogelijk voor veehouders die willen stoppen,
bijvoorbeeld vanwege gebrek aan bedrijfsopvolging. Deze regeling richt zich op gebieden met de
meest urgente stikstofproblematiek en draagt bij aan het verminderen van stikstof op kwetsbare
Natura 2000-gebieden. Daarnaast ondersteunt de regeling ook andere doelen, zoals het verkleinen van
het mestoverschot, de klimaatopgave en natuur- en milieudoelen. Hiervoor is op korte termijn € 750
miljoen voorzien (2026–2028).

Regionale aanpak
Er wordt daarnaast gestart met een regionale aanpak in de gebieden waar de nood het hoogst is: de
Veluwe en de Peel. Hierbij wordt gedacht aan het instellen van een strook van 250 meter rond
overbelaste hexagonen, met maatwerk per gebied. De opgave voor deze stroken geldt alleen voor
(delen van) percelen of gebouwen binnen die stroken. De precieze invulling wordt de komende tijd
zorgvuldig samen met provincies uitgewerkt, inclusief de
reductieopgave. Hiervoor is € 600 miljoen beschikbaar gemaakt.

Verhoging de-minimisplafond
De Europese Commissie heeft ingestemd met een wijziging van de de-minimisverordening voor de
landbouwsector. Onder deze verordening zijn kleine steunbedragen in de landbouw vrijgesteld van
het toezicht op staatssteun, omdat wordt aangenomen dat deze kleine steunbedragen geen effect
hebben op de concurrentie en de handel op de interne markt.

De-minimisplafond
De belangrijkste wijziging in de nieuwe verordening is de verhoging van het de-minimisplafond naar
maximaal € 50.000 per onderneming per drie jaren (was € 20.000). Voor een aanvraag met datum 31 mei
2025 wordt dus teruggekeken naar de ontvangen steun vanaf 1 juni 2022.

Verplicht register
Vanaf 2026 is het echter wel verplicht om gebruik te maken van een nationaal of Europees register,
dat momenteel in ontwikkeling is.

Overschrijding plafond
Wanneer een landbouwer bijvoorbeeld bij de Subsidie Behoud grasland al eerder tegen het plafond van
€ 20.000 aanliep, kan deze in 2025 wel weer in aanmerking komen voor deze subsidie zolang het
bedrag van € 50.000 niet overschreden wordt.

Stikstofcorrectie bij mestscheiding
Uit onderzoek blijkt dat bij mestscheiding en opslag van de dikke en dunne fractie daarna
stikstofverliezen (N-verlies) optreden. Bij controles op de naleving van de gebruiksnormen en de
verantwoordingsplicht past RVO daarom een correctie toe wanneer mest is gescheiden.

Volgens de rekenregels wordt het N-verlies voor drijfmest van graasdieren berekend op totaal 3,2%
van de stikstofinhoud van de ingaande mest en voor staldieren op 3,9%. De correctie geldt voor het
jaar waarin de mest is gescheiden. Om deze correctie te kunnen uitvoeren, is het van belang dat uit
de administratie van de mestscheiding zorgvuldig blijkt:
• Wanneer (en hoe vaak) de mestscheiding heeft plaatsgevonden (factuur en betalingsbewijs);
• De hoeveelheid en soort drijfmest die is gescheiden;
• Het N-gehalte van de ingaande meststroom.

Wanneer uit administratie niet of onvoldoende blijkt dat er mestscheiding heeft plaatsgevonden, zal
er geen correctie voor eventuele stikstofverliezen worden toegepast. Dit is ook het geval
wanneer wordt uitgegaan van de forfaitaire gegevens.

Budget vestigingssteun ruimschoots overschreden
In de vorige nieuwsbrief is gemeld dat jonge landbouwers die een bedrijf geheel of gedeeltelijk
hebben overgenomen of zijn gestart, in de periode 28 april tot en met 27 juni 2025 een zogenaamde
vestigingssteun van € 80.000 kunnen aanvragen. En dat het budget wordt verdeeld op volgorde van
binnenkomst van de aanvragen. Op 29 april 2025 was het budget echter al ruimschoots overschreden,
waardoor het weinig zin meer heeft nu nog een aanvraag in te dienen.

Geen wijziging aanvullende gegevens meer mogelijk
Een varkenshouder werd beboet voor een overschrijding van de gebruiksnormen in 2017. In de hoger
beroepszaak stelde hij dat RVO bij de berekening was uitgegaan van een onjuiste eindvoorraad mest.
Zijn toenmalige adviseur had in de opgave aanvullende gegevens mest 2017 geen melding gemaakt van
twee centimeter aangroei van de bezinklaag. Volgens de varkenshouder hanteert RVO op grond van haar
vaste beleid altijd een dergelijke aangroei en had zij dat in zijn geval ten onrechte niet gedaan.

RVO stelde dat uit onderzoek is gebleken dat bij oude stallen als die van de varkenshouder, het
goed mogelijk is dat een bezinklaag niet aangroeit.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat RVO bij het vaststellen van de
eindvoorraad mest 2017 had mogen uitgaan van hetgeen in de opgaven aanvullende gegevens 2016 en
2017 was vermeld over de bezinklaag in de mestput. Daaruit bleek dat er in 2017 geen aangroei was.
Bij het indienen van de opgave verklaart de landbouwer dat de daarop vermelde gegevens naar
waarheid zijn verstrekt. De varkenshouder had ook geen objectieve en verifieerbare gegevens
overgelegd waaruit bleek dat die gegevens onjuist waren.
RVO had daarom de boete terecht opgelegd.

Subsidie samenwerken aan innovatie
Landbouwers die in een samenwerkingsverband willen werken aan innovatie in de landbouw, kunnen
subsidie krijgen. Als een aanvraag wordt goedgekeurd, hoort het project bij het netwerk Europees
Innovatie Partnerschap (EIP). Dit netwerk bestaat om te leren van elkaars projecten.
Voor wie?
Deze subsidie is voor samenwerkingsverbanden die een project uitvoeren. Het project richt zich op
innovaties in de landbouw en draagt bij aan een sterkere natuur en een leefbaarder platteland.

Samenwerkingsverband
In het samenwerkingsverband zit in ieder geval een landbouwer en een van de volgende deelnemers:
• Mkb’ers;
• Leden van producentengroeperingen, coöperaties of brancheorganisaties;
• Procesbegeleiders en/of adviseurs;
• Vertegenwoordigers van kennis- en onderwijsinstellingen;
• Andere natuurlijke of rechtspersonen die bijdragen aan de projectdoelen;
• Andere deelnemers in de agrofoodketen.

Subsidiabele kosten en hoogte subsidie
De voorbereidings- en uitvoeringskosten worden 100% vergoed. Bij investeringen bedraagt de
vergoeding 40%. De totale subsidie bedraagt minimaal € 125.000 en maximaal € 500.000.

Hoogte en verdeling budget
Het budget bedraagt € 6.288.778. Een onafhankelijke adviescommissie beoordeelt elk project op een
aantal onderdelen. Het budget wordt verdeeld onder de aanvragers die hier het hoogst op scoren.

Aanvraagperiode
Aanvragen kunnen ingediend worden tussen 3 juni, 9.00 uur, en 15 juli,
17.00 uur.

T/m 1 juni 2025
Aanmelden equivalente maatregel stikstof

1 juni t/m 31 augustus 2025
Vernieuwing grasland op zand- en lössgrond of met een derogatievergunning op klei- of veengrond in
een NV-gebied (onder voorwaarden)

3 juni t/m 15 juli 2025
Openstelling subsidie samenwerken aan innovatie

16 mei t/m 15 oktober 2025
Doorgeven wijzigingen bedrijfssituatie aanvraag GLB-subsidies (wijzigingen gewassen en/of
nateelten, intrekking niet-uitgevoerde of niet-geslaagde eco-activiteiten)

Met onze Agro-Nieuwsbrief willen wij u op de hoogte houden van de ontwikkelingen die mogelijk uw
bedrijf raken. Wij hebben aan de
samenstelling de grootst mogelijke zorg besteed. Wij aanvaarden echter geen aansprakelijkheid voor
niet (meer) juiste informatie. Wilt
u op basis van deze informatie actie ondernemen, dan is nader advies noodzakelijk. Voor een
dergelijk advies kunt u een afspraak met
ons maken. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd
gegevensbestand of openbaar
gemaakt in enige vorm of op enigerlei wijze, het zij elektronisch, mechanisch, door fotokopieen,
opnamen of enige andere wijze,
zonder schriftelijk toestemming van de uitgever.